Verschijningsvormen

De teuten kan men op basis van de door hen verhandelde goederen of geleverde diensten indelen in vijf groepen:
  • Koperteuten; deze ketellappers, ook wel goorteuten genoemd, repareerden en verkochten potten, pannen, keukengerief, sloten en soms zelfs vuurwapens. Apparatuur voor een smidsvuur namen ze af en toe in een rugmand mee
  • Textielteuten; deze teuten, aangeduid met namen als pakdragers en tafteuten, handelden in onder andere mutsen, neusdoeken, kousen, beddengoed, tijk, kant, zijde,
  • Dierensnijders of dierenlubbers, de voorlopers van de dierartsen en voornamelijk werkzaam op veemarkten.
  • Haarteuten; zij kwamen er pas later bij, en zijn een mooi voorbeeld van het inspelen op de wisselende economische vraag. Nadat Lodewijk XIV van Frankrijk een pruik begon te dragen ontstond er een nieuwe modegril namelijk, het dragen van een pruik, en deze Teuten maakten daar handig gebruik van. Haarteuten kochten ook paardehaar op bij de boeren waarvan borstels werden gemaakt.
  • Aardewerkteuten, die vrijwel uitsluitend in aardewerk handelden.
De teuten bleven met de landbouw verbonden doordat hun vrouwen aan het thuisfront niet alleen instonden voor het huishouden maar ook voor de akkerbouw en andere boerenarbeid.

 


Een aardewerkteut prijst zijn koopwaar aan.

 

De teuten moesten zich bevoorraden bij de fabrikant of de groothandelaar. Al naargelang hun financiële draagkracht zijn de teuten in twee groepen in te delen:
  • Commissieteuten: deze teuten vertrekken van huis zonder koopwaar mee te nemen. Vooraf hebben ze per brief bericht gezonden aan de fabrikant of groothandelaar waarin de aard van de bestelling en de plaats van de levering, meestal een herberg in hun handelsareaal zijn opgegeven. De ontvangen goederen worden door de teut niet onmiddellijk betaald doch in commissieloon verkocht voor de fabrikant of groothandelaar. Soms kunnen de termijnen van terugbetaling oplopen tot acht jaar.
  • Zelfstandige teuten: deze hebben genoeg geld om de levering van fabrikant en groothandelaar contant te betalen. Ze werken volledig voor eigen rekening. Hierbij behoren de teuten die eigen magazijnen bezitten in het buitenland. Ze moesten zeer hoge kapitaaluitgaven kunne dragen want ze moesten enerzijds de voorraad aanschaffen maar anderzijds waren ze ook opgescheept met de zogenaamde kwade schulden, gelden die zeer moeilijk te innen waren bij de klanten vanwege de geringe som of de slechte schuldenaar.
    Bovendien moest bij de verkoop van goederen vaak krediet verleend worden (de commissieteuten deden dit ook doch zij konden deze schuldenlast afwentelen op hun leveranciers door uitstel van betaling). Aandringen op contante betaling bracht immers het gevaar mee dat de verkoop werd afgebroken. Anderzijds schonk de koopschuld wel de mogelijkheid om bij de klant terug te komen en wellicht een nieuwe zaak te verrichten.