Onstaan

De Teutenhandel is ontstaan in de Belgische en Nederlandse Kempen. In België gelden de plaatsen Lommel, Achel-Hamont-Bocholt en Hechtel als de teutenplaatsen. In Nederland kwamen teuten uit de dorpen Stramproy, Budel, Maarheeze, Luyksgestel en Soerendonk.

Zo was het Belgische grensdorp Lommel eeuwenlang een belangrijke doorvoerplaats voor allerlei handelsproducten: textiel, rietsuiker, tabak, jenever, koffie. Ze verdienden als vrachtvervoerders de kost en ook de locale herbergiers deden hun voordeel bij dit handelsverkeer.
Vanaf de veertiende eeuw verwierf Lommel bepaalde vrijheids- en octrooivoorrechten van week- en jaarmarkten, waardoor de lokale handelsactiviteiten van herbergen en winkels aan de Plaetse werden gestimuleerd. Het driehoeksplein van Lommel-Dorp verloor geleidelijk aan meer en meer de functie van inperkingsruimte en drenkplaats voor het vee, zowel wegens de marktactiviteiten als wegens de omschakeling van markthoeven tot handels- en neringspanden.
De steeds aangroeiende bevolking, oorlog en politieke spanningen, de schrale resultaten van het landbouwbedrijf, de malaise in het vervoer van handelsgoederen na het sluiten van de Schelde in 1585, contacten met zigeuners dit zijn de factoren die tot het ontstaan van teutenhandel en ?ambacht hebben bijgedragen.

 


Ook in Duitsland kwam men vormen van teuterij tegen. Deze zogenaamde kiepkerels waren Duitse teuten die hun naam ontleenden aan de kiep op hun rug: een grote mand met koopwaar. Sommige kiepkerels vervoerden hun koopwaar in ladekastjes op hun rug. De namen van sommigen van hen zijn later in Nederland een begrip geworden zoals de broers Clemens en August Brenninkmeijer van kledingconcern C&A.

 

"De 2047 inwoners van Lommel zijn over het algemeen zeer welvarend en een groot gedeelte der ingezetenen houdt zich bezig met koophandel. Zij zijn in de meierij bekend onder de naam Teuten, van het Latijn Teuto of Duitser afgeleid, omdat zij verre reizen naar Duitsland en andere oorden ondernemen. Ze spreken onder elkaar een brabbeltaal die niemand als die tot hun genootschap behoort, verstaat.
Lommelse kooplieden in koperen ketels of ketelbuiters reizen met hun ketels op de rug overal heen om ze te verkopen of met winst te ruilen.
"
(Stefan Hadewinkel, Reize door de Majorij van ’s-Hertogenbosch in den jare 1799).